Begrippenlijst

Schaak Trainer

 

+32 477 200 906 - cassimon@skynet.be

Begrippenlijst

 

Het schaken heeft een eigen taal, zeg maar schaakjargon. Veel van de gebruikte woorden zullen als chinees in de oren van leken of niet-schakers klinken.

Daarom een begrippenlijst, waar één en ander verduidelijkt wordt.

Heb je zelf ook nog een woord of uitdrukking dat je hieronder niet vindt, laat het ons weten en het wordt hier binnen de kortste keren vermeld.

We zijn er je erg dankbaar voor!

A

B

C

D

E

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

V

W

Z

 

 

 

A

 

Aanraken is zetten

Een spelregel die voorschrijft dat de spelen die een stuk aanraakt met dat stuk moet zetten (of slaan als het aangeraakte stuk van de tegenstander is).

Aanval

Een stuk kan een stuk van de tegenpartij slaan. (zie les3).

Aanvullend mat

Een mat waarbij minstens twee stukken aan meewerken. De bewaker en de jager nemen ieder een aantal velden van de vijandelijke koning af. De jager geeft schaak (zie les 8).

Afsnijden

De vijandelijke koning niet laten ontsnappen.

Aftrekschaak

Door het wegspelen van een stuk komt de vijandelijke koning schaak te staan.

B

 

Baan

Lijn, rij of diagonaal. Helaas is baan niet ingeburgerd in de schaakwereld en gebruikt men lijn als overkoepelend begrip. (zie les 1)

Baanstuk

De dame, toren of loper.

Bewaker

Een stuk dat vluchtvelden afneemt van de vijandelijke koning.

Beweeglijkheid

Zie bij mobiliteit.

Blunder

Een heel erg slechte zet. De term is relatief. Op laag niveau heeft een blunder mat of stukverlies tot gevolg. Op hoger niveau geldt een ernstige positionele fout ook als blunder.

Bord

Een verzameling van 32 donkere en 32 lichte velden waarop we schaken.

Zorg er altijd voor dat het bord goed voor je ligt. Linksonder ligt altijd een donker veld! Voor elke speler.

C

 

Centrum

Het midden van het schaakbord (de velden d4, d5, e4 en e5).

D

 

Dame halen

Populare term voor het naar de overkant lopen van een pion,. Strikt genomen een onnauwkeurige term omdat we ook andere stukken dan de dame mogen kiezen (zie les 4).

Dekken

Een vorm van verdedigen (zie les 5).

Demonstratiebord

Een groot rechtopstaand schaakbord dat we bij trainingen gebruiken. Iedereen kan alles goed zien.

Diagonaal

Een aaneengesloten reeks velden in een schuine baan van dezelfde kleur (zie les 1).

Diagram

Een verkleinde afbeelding van een schaakstelling met enigszins aangepaste stukken (figurines).

Dreiging

Er is een onaangename zet van de tegenstander mogelijk, bijvoorbeeld hij dreigt mat te zetten. Meestal is er een verdediging tegen een dreiging mogelijk, alleen dodelijke dreigingen zijn niet te pareren.

Dubbelpion

Twee pionnen van dezelfde kleur op dezelfde lijn.

Dubbelschaak

Als je een stuk verzet om de koning schaak te zetten en dit maakt de weg vrij voor een ander stuk, dat nu ook de koning schaak zet, dan is dat dubbelschaak.

E

 

Eeuwig schaak

Als een speler schaak gezet wordt na elke zet die hij doet, en zonder dat hij mat komt te staan, kan hij remise eisen door eeuwig schaak.

En passant slaan

Bijzondere spelregel van de pion (zie les 14).

Eten

Voor jonge kinderen een geschikte term voor het slaan (nemen, pakken) van een stuk van de tegenstandr.

G

 

Gaatje

In 'een gaatje maken'. Een vluchtveld voor de koning maken door een van de pionnen in de rokadestelling op te spelen.

Gedwongen zet

De enige zet die niet tot direct verlies leidt.

Gekkenmat

Het kortste mat dat vanuit de beginstelling mogelijk is. (1. f3 e5 2. g4 Dh4#).

Gevangenis

Het gebied voor de vijandelijke koning waaruit hij niet meer kan ontsnappen. Het begrip is een hulpmiddel bij het mat zetten met de dame (zie les 13).

Grootmeeester

Hoogste titel bij het schaken (GM).

H

 

Halfje

Een half punt. De score bij een remise.

Hangen

In gevaar zijn. Een stuk dat hangt, staat aangevallen en dreigt verloren te gaan.

I

 

Illegale zet

Een zet die niet volgens de spelregels is.

In staan

In gevaar zijn. Een stuk dat in staat, staat aangevallen en dreigt verloren te gaan.

Internationaal meester

De op één na hoogste titel bij het schaken (IM).

J

 

Jager

Een stuk dat schaak geeft om de vijandelijke koning verder in het nauw te drijven.

K

 

Kwaliteit

Het verschil tussen een toren en een loper of een paard. De speler die met een loper of paard een gedekte toren slaat, heeft aan kwaliteit gewonnen. Het is een verschil van 2 punten.

L

 

Legale zet

Een zet volgens de spelregels.

Lijn

Een reeks aaneengesloten verticale velden op het schaakbord (een 'kolom' - zie les1)

Luchtgat

Een vluchtveld voor de koning in de rokadestelling.

M

 

Mat

Het einde van een schaakpartij als de koning schaak staat en dat schaak op geen enkele manier is op te heffen (zie les 7).

Materiaal

Stukken en pionnen. 'Wit heeft materiaal gewonnen' betekent dat wit punten heeft verdiend door het slaan van een onvoldoende gedekt of ongedekt stuk dan wel door een voordelige ruil.

Minorpromotie

De promotie van een pion tot een toren, loper of paard. Normaal is promotie tot dame omdat die het meeste waard is.

Mobiliteit

De beweeglijkheid van een stuk, het aantal zetten dat een stuk kan spelen.

N

 

Nemen

Synoniem voor slaan of pakken.

Noteren

Het opschrijven van de zetten van een partij.

O

 

Oefenblad

Een bladzijde met opgaven in het werkboek.

Onderste rij

De 1ste en 8ste rij van het schaakbord. De term wordt voornamelijk gebruikt bij 'mat op de onderste rij'.

Ondersteunend mat

Mat waarbij het stuk dat mat geeft door een eigen stuk gedekt staat (zie les 7).

Ontwikkeling

Dit betekent: stukken in het spel brengen vanuit hun beginposities en ze aanvallend opstellen.

Open lijn

Een lijn, die niet versperd wordt door pionnen, is een open lijn.

Ongedekt

Een stuk staat ongedekt als het niet door een eigen stuk gedekt staat. Zodra de tegenstander dit stuk aanvalt, is het in gevaar.

Opgeven

De strijd staken voordat het mat is. Bij een eerstestapper komt dat nooit voor.

Overzien

Schakersterm voor over het hoofd zien.

P

 

Pakken

Synoniem voor slaan of nemen.

Partij

Naast een strijd tussen twee spelers wordt partij ook gebruikt voor wit of zwart (de partij aan zet). De tegenstander is de tegenpartij.

Pat

Een speler staat pat als hij niet schaak staat en geen enkele legale zet kan spelen (zie les 12).

Penning

Wanneer een stuk niet verzet mag worden van het veld waar het op staat, dan staat het" gepend". Als je het toch weg zet, komt ofwel je eigen koning schaak te staan, of je laat een waardevol stuk het risico lopen weggeslagen te worden.

Promotie

Een pion die de overkant bereikt (de 8ste rij voor een witte pion, de 1ste rij voor een zwarte) promoveert. Hij verandert in een dame, toren, loper of paard van dezelfde kleur. Zie ook minorpromotie.

R

 

Randpion

De pion die in de beginstelling voor de toren staat. Hij is zwakker dan andere pionnen omdat hij maar naar één kant kan slaan.

Reglementaire zet

Een zet volgens de spelregels.

Remise

Een gelijk spel (zie les 12).

Rij

Een reeks aaneengesloten horizontale velden op het schaakbord (zie les 1).

Rokade

Een zet van de koning en de toren tegelijk (zie les 9).

Röntgendekking

Witte en zwart stukken met dezelfde loop kijken dwars door elkaar heen. Zodoende kun je een achtergelegen eigen stuk dekken (zie les 2*).

Ruil

Wit slaat een stuk en zwart slaat dat stuk terug. De stukken moeten dezelfde waarde hebben.

S

 

Samenwerking

Stukken van dezelfde partij kunnne elkaar dekken, ondersteunen of aanvullen.

Schaak

Een aanval op de koning heet schaak (zie les 6).

Schaak opheffen

Zich verdedigen tegen schaak (zie les 6).

Schaakmat

Hetzelfde als mat. Schakers spreken alleen van mat.

Schaakprogramma

Software voor de computer.

Simultaan

Een wedstrijd waarbij één speler gelijktijdig tegen meerdere spelers tegelijk speelt.

Slaan

Het verwijderen van een stuk van de tegenpartij (zie les 3). Het is ook een vorm van verdedigen (zie les 5).

Slagzet

Een zet waarbij een stuk wordt geslagen.

Stelling

De positie op het bord.

Stuk

Op de keper beschouwd alleen de koning, de dame, de toren, de loper of het paard. In de volksmond wordt de term "stukken" ook gebruikt voor stukken en pionnen.

T

 

Tussenplaatsen

Een vorm van verdedigen (zie les 5).

Tweevoudige aanval

Een aanval waarbij twee stukken van dezelfde partij samenwerken. Het ene stuk ondersteunt het andere (zie les 11).

U

 

Uitwijken

Synoniem voor weggaan.

V

 

Valletje

Objectief meestal niet de beste zet om de tegenstander een voor de hand liggende zet te laten spelen die fout is.

Veld

Benaming voor een vakje op het schaakbord. Er zijn 32 'witte' en 32 'zwarte' velden (ongeacht de kleur).

Verdedigen

Een aanval pareren (tegenhouden) (zie les 5).

Vluchtveld

Meestal een veld voor de koning, waarheen hij nog kan gaan. Minder vaak gebruikt voor andere stukken.

Voordelige ruil

Het slaan van een gedekt stuk van de tegenstander waarbij punten worden verdiend (zie les 11).

W

 

Weerleggen

Aantonen dat een bepaalde zet niet correct is.

Weggaan

Een vorm van verdedigen. Het aangevallen stuk spelen we naar een veilig veld (zie les 5).

Werkblad

Synoniem voor oefenblad.

Wit

De witspeler, de speler met de lichtgekleurde stukken.

Z

 

Zet/zetten

Het verplaatsen van een stuk op het schaakbord.

Zwart

De zwartspeler, de speler met de donkergekleurde stukken.

 

 

Copyright © All Rights Reserved by hacee